Spieren bij het paard

Elke beweging van het paard wordt mogelijk gemaakt door spiervezels. Om een beweging uit te voeren zijn spieren, zenuwen en sensoren samen betrokken om het mogelijk maken om een goede gecoördineerde beweging uit te voeren. Maar niet alleen spieren zijn van belang bij de beweging ook de pezen zijn van groot belang.

 

Wat zijn spieren eigenlijk en hoe werken ze?
Spieren zijn opgebouwd uit vezels.

Deze spiercellen zijn ongeveer 50 tot 100 micrometer in diameter dat is ongeveer de dikte van een haar. De lengte van een spier kan varieren van een paar centimeter tot een meter lang en ze kunnen over de volledige lengte van de spier lopen. Omdat spiervezels zo dun zijn worden ze samengepakt tot een bundel. Deze spierbundels noemt men fasiculi, en deze worden weer samengepakt door bindweefsel.

Maar ook een spiervezel bestaat uit nog kleinere strengen namelijk de myofibrillen en deze zijn 1 micrometer in omvang dat is ongeveer 100 keer dunner als een haar.

Spieren komen niet zomaar in actie, de hersenen zenden signalen uit waardoor de spieren een bepaalde beweging maken. De spieren staan dus in verbinding met de hersenen en de spiervezels worden geactiveerd door de bewegingszenuwen. Eén bewegingszenuw kan ervoor zorgen dat meerdere spiervezels activeren.

Myofibrillen
Myofibrillen bevatten myo-filamenten, en deze bestaat uit dikkere vezels. Actine-filament bestaat uit dunnere vezels en deze 2 proteinen hebben samen als taak om een spier te laten samentrekken.

Hoe trekt een spier dan samen?
Dit gebeurt als een impuls van een zenuw in dit geval een bewegingszenuw de spier bereikt. Er volgt dan een chemische verandering in de spiervezel, en hierbij spelen het actine en myosine hun grote rol. De actine schuift als het ware over de myosine heen. Deze myosine hebben zeer kleine hobbeltjes  welke zich uitstrekken naar de actine. Op deze wijze komen actine en myosine met elkaar in contact. De uitsteeksels of hobbeltjes draaien en trekken de myosine over de actine. Deze beweging zorgt er dan voor dat de spier in lengte afneemt waardoor de spier dus samen wordt getrokken. Als het proces stopt dan verdwijnt het contact tussen actine en myosine en keert de spier terug naar de normale dikte en vorm. Dus hoe langer de spier is, des te meer contact er ontstaat tussen myosine- en actine-filamenten, en hoe meer kracht de spier dus kan ontwikkelen.

Wat bepaald de spierkracht?
De spierkracht wordt bepaald door de diameter van de spier, de lengte van de vezels en het aantal vezels. Door het paard te trainen kun je de diameter van de spier vergroten en dus meer spierkracht verkrijgen. Een zenuwcel en een spiervezel samen noemt men een motoreenheid. Wanneer een zenuwcel geactiveerd wordt, zorgt deze ervoor dat alle spiervezels, die met de  zenuwcel in contact staan geactiveerd worden. Het aantal motoreenheden dat ingeschakeld wordt bij het samentrekken van een spier, is afhankelijk van de belasting die wordt uitgeoefend. Bij een lichte oefening of een normale beweging zullen dus maar een paar motoreenheden in actie komen. Bij zwaardere oefeningen of als voorbeeld de galop van een paard zullen dan veel meer motoreenheden in actie komen zodat er veel meer kracht ontwikkeld kan worden.

Hoe train je spieren optimaal?
Om een spier optimaal te trainen zal dus een programma samengesteld moeten worden, dat het paard eerst rustig een opwarmperiode krijgt en daarna als de spieren warm zijn kun je optimaal gaan trainen en de spieren dus zwaarder belasten. Zorg ervoor dat na de training het paard een cooling down periode krijgt. Zolang het paard staat te pompen wat je kan zien aan de verwijde neusgaten is de inspanning nog teveel en ga door met cooling down tot het paard niet meer staat te pompen en de ademhaling weer rustig is geworden.

Wat bepaald de groei en kracht van de spieren?
Het aantal spiervezels en het type vezels speelt hierin een grote rol bij de groei van kracht en spiermassa. Het aantal vezels in een motoreenheid is echter genetisch bepaald.

Er bestaan meerdere type spiervezels welke van invloed zijn op de prestatie en bepalen waar het paard geschikt voor kan zijn. De meeste spieren bevatten een mix van alle type spiervezels maar hoeveel van elk type is afhankelijk van hoe de spier gebruikt wordt. Zo is er veel verschil tussen de rassen van paarden, een Engels volbloed en b.v. een Quarter Horse hebben meestal meer type 2 vezels en dat kan varieren tussen de 80 en 90% type 2 vezels.

Pony’s en ook ezels hebben meer type 1 en bedraagt de hoeveelheid type 2 rond de 75%. En dat is van invloed welke prestatie ze kunnen leveren, een volbloed paard heeft dus in principe al meer genetisch aangelegd atletisch vermogen als een pony. Het verschil tussen de types spiervezels is dus explosieve kracht of langdurig vermogen.

Type I
Ook wel de slow twitch vezels deze spannen zich langzaam aan, en produceren minder spanning en verbruiken liever zuurstof dan ze energie opwekken. Ze rekenen vooral op de aërobe stofwisseling. Ze worden niet snel moe en bezitten een hogere capaciteit voor uithoudingsvermogen. Deze vezels worden voornamelijk gebruikt voor activiteiten met een lage intensiteit. De type I vezels bevatten veel haarvaten en mitochondrieën en gebruiken zowel vet als koolhydraten als brandstof.




 

Type 2
Ook wel fast twitch spiervezels genoemd. Ze zijn het tegenovergestelde van de Type I vezels: ze worden gebruikt bij anaërobe activiteiten en bezitten een lage aërobische kracht. Deze vezels kunnen heel snel aanspannen, maar hebben zeer weinig uithoudingsvermogen en genereren de meeste spanning. De type 2 vezels worden verder onderverdeeld in type 2a en 2b vezels. De onderverdeling is gebaseerd op het vermogen om energie te kunnen produceren onder aërobische omstandigheden. Vezels van het type 2a hebben meer haarvaten, meer mitochondrieën en een groter aantal aërobische enzymen dan type 2b vezels. Hierdoor hebben ze meer weerstand wanneer er vermoeidheid optreedt dan vezels van het type 2b. Vezels van het type 2b hebben de grootste anaërobische capaciteit, maar het laagste uithoudingsvermogen van alle spiervezels. Dit type vezels wordt meestal gebruikt voor explosieve kracht zoals b.v. springen. Zodra de inspanning oploopt zal er meer type 2 worden gebruikt en dan beide types zowel 2a als 2b. Bij maximale inspanning worden alle vezels ingezet zowel type 1 als 2a en 2b.

Als je dus vaak licht en kort traint met het paard zal er voornamelijk type 1 vezels worden getraind en zal dus het uithoudingsvermogen toenemen. Wanneer er gemiddeld of zwaar getraind wordt ook weer afhankelijk van hoe het paard belast kan worden, dan worden dus alle 3 types vezels getraind worden waardoor kracht, uithouding en spiermassa vergroot kunnen worden.

Spiervezels zijn genetisch bepaald
Het aantal spiervezels is voor een groot deel genetisch bepaald. Dit is dan ook de reden waarom het soms langer duurt eer er spieren worden opgebouwd en dat andere paarden juist heel snel spieren opbouwen. Ieder paard is genetisch uniek en het aantal en het type spiervezels bepaalt dus het resultaat. Denk ook hier weer aan het verschil tussen een pony en een Quarter Horse.

De samenstelling of mix van het type I- en type II-spiervezels bepaalt dus hoe spieren aan kracht en omvang vergroten. Zijn er een groot aantal type I vezels dan zal er in principe iets minder kracht ontwikkeld kunnen worden maar wel uithoudingsvermogen dan paarden die van nature al meer type 2 vezels bezitten.

Spieren

Bron: TODO: illustrations


Hoe noem je de spierbewegingen?
Concentrische spierbewegingen
Deze beweging heet zo als een spier korter wordt tijdens het samentrekken.


Excentrische spierbewegingen
Dit is het tegengestelde van de concentrische beweging. De spier wordt teruggebracht naar de beginpositie.


Isometrische spierbewegingen
Dit gebeurt als de spierspanning wel toeneemt, zonder dat de spier langer wordt. De spier wordt niet langer en de spanning in de spieren is gelijk aan de weerstand.


De pezen
Spieren spelen niet als enige een rol in de beweging, pezen spelen ook een grote rol hierin. De functie van pezen is de krachten opvangen en regenereren en ze zijn de verbinding tussen een spier en het bot, waarmee de spieractiviteit op het bot wordt overgedragen. Een pees lijkt op een koord of kabel en is meestal wit  en wordt verankerd aan het bot door vezels en deze vezels noemt men de vezels van sharpey.

Muscle Impulse versterkt de verbinding van pezen aan het bot. Tussen de pees en het kapsel bevindt zich het gewrichtsvloeistof ofwel synovia genoemd. Door het bewegen, vermindert het gewrichtsvloeistof. En net als spierweefsel zich moet kunnen herstellen, heeft ook een pees rust nodig om de verloren gewrichtsvloeistof weer aan te vullen. Neem voldoende rust tussen trainingen of wedstrijden zodat het gewrichtsvloeistof weer aangevuld kan worden, wordt er getraind zonder het gewrichtsvloeistof is aangevuld dan krijg je grotere wrijving tussen de pees en het kapsel en dat kan leiden tot infecties.