Insulineresistentie bij paarden

Oorzaken, symptomen en behandeling

Het huidige paard is een erfenis van 4 miljard jaar evolutie. Genen passen zich maar langzaam aan, met als resultaat dat we op dit moment leven met genetische informatie van 30.000 tot 40.000 jaar geleden. De voeding en het management van het paard zijn de laatste jaren wel behoorlijk veranderd. Het conflict tussen het oeroude genoom en het gezondheidsmanagement van het huidige paard levert soms problemen op. 
Insulinrestentie is hier een voorbeeld van.


Tekst: Charlotte Willekens (dierenarts praktijk Den Hoek) & NML health
           
 

Wat is insuline resistentie?


Insuline is een hormoon dat gevormd wordt in de alvleesklier. De belangrijkste functie van insuline is om, met behulp van zogeheten insulinereceptoren die op de celwanden zitten, glucose vanuit het bloed te transporteren door de celwand, de cel in. Eenmaal in de cel kan glucose verbrand worden om arbeid te verrichten (bijvoorbeeld in de spieren of de hersenen), of om opgeslagen te worden (vet). Des te meer glucose wordt aangeboden via de voeding (alle koolhydraten uit de voeding worden namelijk afgebroken tot glucose), des te sneller het lichaam geneigd is om deze glucose op te slaan in de vorm van vet, als reserve voor in slechte tijden.

Ook moet het bloedsuikergehalte in binnen bepaalde grenzen blijven omdat een te hoog of te laag bloedsuikergehalte tot veel gezondheidsproblemen kan leiden. Wanneer er (te) veel glucose in de voeding zit is er steeds meer insuline nodig om dit proces te reguleren.

Bij insulineresistentie treedt er een verandering op van de receptoren op de celwand. De lipidenstructuur van de celwand verandert, waardoor de insulinereceptoren veel minder goed reageren op de insuline. Hierdoor is er steeds meer insuline nodig om het glucose door de celwand heen te kunnen transporteren. In eerste instantie is insulineresistentie dus nog geen echte suikerziekte zoals vaak wordt gedacht. De pancreas of alvleesklier functioneert nog steeds, maar maakt overuren om aan de grote behoefte aan insuline te kunnen voldoen. Dit overwerk kan wel uitmonden in echte suikerziekte (bijna nooit bij paarden, maar wel vaak bij mensen), omdat de alvleesklier het uiteindelijk opgeeft. Tot die tijd is het proces nog tot op zekere hoogte terug te draaien.

Ook voor dieren is het van levensbelang om de het bloedsuikergehalte van het bloed binnen bepaalde grenzen te reguleren. Dit is een samenwerking tussen hypofyse, de alvleesklier en andere hormoonklieren die door de hypofyse worden aangestuurd.

De hypofyse is hierbij de regelaar die net zo werkt als een thermostaat. Als de temperatuur in de kamer de juiste hoogte heeft bereikt, slaat de thermostaat uit tot hij weer een te lage temperatuur registreert en weer aanslaat om zo een constante temperatuur via een terugkoppelsysteem te waarborgen. Via een meting van het bloedsuikergehalte en de hoeveelheden hormonen in het bloed dat door de hypofyse stroomt, wordt de constante samenstelling van het bloedsuikergehalte in de gaten gehouden. Dit wordt aangepast als de omstandigheden hierom vragen, zoals tijdens arbeid, stress of juist rust waarbij meer of minder glucose nodig is. 
    Ook dit is een terugkoppelsysteem. Het systeem kan namelijk ook registreren dat het bloedsuikergehalte te laag is de tegenhanger van het opslaan van glucose, de gluconeogenese, aanzetten via andere hormonen. Bij de gluconeogenese wordt opgeslagen vet weer omgezet in glucose dat verbrand kan worden in de cel om arbeid te verrichten.

Wanneer de opname van glucose door de insulineresistentie is veranderd, functioneert het terugkoppelingssysteem niet meer goed. Door het hoge insulinegehalte blijft de opslag van glucose als vet in de cel ook doorgaan: de knop blijft steken op ‘opslaan’. Als er vervolgens arbeid verricht wordt en glucose verbrand moet worden, komt het verbrandingsproces veel te traag op gang. Bovendien kan het nieuw gevormde glucose heel moeilijk de spiercellen binnendringen door de trage werking van de insulinereceptoren. Het gevolg hiervan is traagheid en stijfheid in beweging.




Oorzaken van insuline resistentie


1) voeding
2) stress
3) ontsteking
4) Hormonale problemen bij de merrie


1) Voeding

Uit het bovenstaande valt direct op dat voeding een belangrijke rol speelt in het ontstaan van insulineresistentie; het is de meest voorkomende oorzaak. Het voedingsverhaal behelst veel meer facetten dan alléén het ontstaan van insulineresistentie, teveel om hier in detail te kunnen bespreken.

Een teveel aan ‘snelle suikers’ is in ieder geval niet goed. De meeste paardenbrokken zijn geperst met melasse en zijn per definitie niet goed voor een paard dat gevoelig is voor insulineresistentie. Suiker- en energierijke sportbrokken en met melasse smakelijk gemaakte muesli’s zijn ook niet goed voor het insulineresistente paard. Jammer genoeg wordt regelmatig een denkfout gemaakt: ‘mijn paard is traag, stijf en snel moe, dus laat ik er maar energierijk krachtvoer in stoppen’. Dit werkt averechts en maakt het dier uiteindelijk zieker.

Ook zijn een groot aantal pensionstallen ontstaan vanuit een veehouderij met koeien. Hier zijn de weilanden ingezaaid met Engels raaigras. Dit gras is kortstengelig is, bevat veel fructaan en wordt regelmatig bemest. Het is een prima product voor een goede melkproductie bij koeien en om mooie, strak groene weilanden te creëren maar voor paarden is het te rijk. Paarden hebben behoefte aan een rantsoen met een constante, trage aanvoer van glucose vanuit de darm zoals bij langstengelig gras en kruiden het geval is. Paarden kunnen slecht tegen het pieksgewijze, enorme aanbod van glucose zoals ze krijgen bij twee grote voerbeurten per dag en suikerrijk gras. Hier moeten de hormonen te snel op reageren waardoor ze de opname niet goed kunnen reguleren. De aanwezige darmflora verschuift van bacteriën die rustig en traag cellulose kunnen verteren (de harde laag rondom de plant) naar bacteriën die een veel snellere stofwisseling hebben en blij zijn met die snelle suikers. De trage bacteriën waar het paard zich aan heeft aangepast worden verdrongen uit de darm, dit veroorzaakt vergaande veranderingen binnen de darm.

Dit gebeurt gelukkig niet in dezelfde mate voor alle paarden, het hangt ook af van het type paard. Voor meer informatie over verschillende paardentypen kunt u kijken op www.devijfelementen.nl. Zogeheten ‘aarde paarden’ zijn gevoeliger, evenals de houttypes wanneer ze niet voldoende arbeid kunnen verrichten. Of rassen zoals IJslander, Shetlanders en Fjorden die van nature sober zijn en aan weinig genoeg hebben. Deze rassen zijn geboren om zwaar werk te verrichten of in de kou te overleven op weinig voeding. Deze dieren zijn van nature al ingesteld op het opslaan van hun reserves om energie te sparen voor de slechte tijden. Alleen, onder de huidige Nederlandse omstandigheden komen deze slechte tijden niet meer. De duizenden jaren van overleven in sobere, soms vijandige leefgebieden hebben de genetische achtergrond van deze paarden bepaald. Het zal ook weer duizenden jaren duren voordat het uitgangspunt ‘overdaad’ hun genoom zal veranderen.

Dit is slechts een greep uit alle aspecten van de voeding als oorzaak voor insulineresistentie en de management fouten die met de beste wil van de wereld worden gemaakt. In het kader van de voeding moet nog wel genoemd worden dat tekorten aan bepaalde mineralen in de voeding zoals magnesium ook kunnen bijdragen aan het ontstaan of onderhouden van insulineresistentie.


2) stress

Om stress te reguleren maakt het lichaam hormonen aan zoals cortisol en adrenaline. Deze stresshormonen hebben een belangrijke functie bij het reguleren van de verbranding in de cel. Ook deze hormonen staan onder invloed van de regiefunctie van de hypofyse.

Hoewel terugkoppelsystemen van de hormoonhuishouding nooit simpel zijn, hier toch een simpel voorbeeld. Stress bevordert, zeker bij paarden, de fright (angst) fight (vechten) en flight (vluchten) reflex. Om te kunnen vluchten of vechten (arbeid te leveren) is een snelle verbranding nodig. Hierbij spelen onder andere de al eerder genoemde stresshormonen als adrenaline en cortisol een rol. Deze hormonen hebben een invloed op de gluconeogenese en verbranding en opslag.

Een paard dat de hele dag op stal staat is volgens onze opvattingen in rust. Dat is bij sommige paarden zo, maar lang niet bij allemaal. Paarden die van alles horen en niets zien, zijn soms in een constante staat van stress. Hierbij worden bepaalde hormonen teveel aangemaakt en raakt de balans verstoord. Deze hormonen hebben namelijk veel meer functies in het lichaam en als deze er steeds in overmaat zijn, loopt het op andere niveaus ook mis. Deze constante staat van overprikkeling put ook het calcium- en magnesiumevenwicht binnen en buiten de cel uit omdat het dier in feite constant klaarstaat om te vluchten. Andere oorzaken van stress zijn het gebrek aan contact met soortgenoten, het veelvuldig binnen staan en te weinig zonlicht krijgen, een tekort aan beweging en onjuiste bejegening en behandeling.

Magnesium speelt een belangrijke rol in het stabiliseren van de insulinereceptoren, het reguleren van ontstekingsprocessen in het onderhuidse vet en het stabiliseren van de celwand. In de voeding is vaak te weinig magnesium aanwezig. Bij een stressgevoelig paard wordt de voorraad nog sneller opgebruikt. Er is dus een diversiteit van gebeurtenissen die kunnen bijdragen aan het verstoren van de balans waardoor insulineresistentie wordt veroorzaakt of verergerd.


3) Infectie
Een chronische infectie, met name in de darmen, of een acute infectie in de luchtwegen of in een been kan bijdragen aan het ontstaan of verergeren van insulineresistentie. Hierdoor kan het paard hoefbevangen worden terwijl er niets in de dagelijkse routine is veranderd. De hormonen die betrokken zijn bij het reguleren van de infectie, zoals cortisol, spelen ook hier een rol. Een infectie van de darm verstoort de darmflora nog meer dan de voeding al deed, waardoor dit ook een verergering van insulineresistentie in de hand kan werken.


4) Hormonale problemen bij de merrie
De invloed van oestrogenen bij de merrie met afwijkende hengstigheid kunnen ook bijdragen aan het ontstaan of verergeren van insulineresistentie. Deze hormonen worden gereguleerd door de hypofyse en bij een constante verstoring van met name de oestrogeenspiegel, kan de hormoonbalans verstoord raken. Dit werkt ook vaak andersom: als een merrie erg insuline resistent is zal ze weinig tot geen hengstigheid laten zien. Een merrie die langdurig oestrogeenpreparaten toegediend krijgt zal door deze medicijnen insulineresistentie kunnen ontwikkelen.


Gevolgen van insulineresistentie bij het paard


Wanneer een paard insulineresistent is, blijft het vaak niet bij deze klacht op zich. Insulineresistentie is op zijn beurt de (mede)veroorzaker van een keur aan lichamelijke problemen bij het paard.

Ziektebeelden en klachten

- overgewicht of ondergewicht
- vetophoping rond manenkam en staartaanzet en buikvet
- hoefbevangenheid
- huidproblemen zoals zomereczeem
- vermoeidheid, spierpijn, spiertrillingen en spierbevangenheid
- onwilligheid om te werken
- verminderde fertiliteit
- luchtwegproblemen
- Cushing
- verergeren van klachten zoals artritis
- rugklachten


Meetbare en zichtbare veranderingen:
Voor u en voor de dierenarts is het van belang een insuline resistent paard te herkennen, het liefst al vóór er daadwerkelijk klachten zijn ontstaan. Het meest herkenbare is de verdikking en verharding van de manenkam. Vaak komen er ook rimpels in de huid. Er komen vetophopingen bij en voor de staartwortel, achter de schouderbladen en soms (vooral bij Iberische paarden) strengen vet naast de lange rugspier die eruit zien als extra zijkwabben. Ook zien we soms een verdikking rond de navel die zich bij de merrie uit in een kwab voor het uier en bij de ruinen (ook wel bij hengsten maar die hebben minder de neiging tot vervetten dan ruinen door hun hogere testosterongehalte) een gezwollen koker met soms ook een vetkwab voor de koker.

Het bewegingspatroon van het paard begint ook te veranderen. Dieren worden stijf en stram, lopen kort en soms al wat als op eieren en zijn snel moe. De stijfheid valt vooral op bij het monsteren, het lijkt dan of het dier gevangen is in zijn eigen lichaam. De bespiering voelt bij palpatie vaak hard aan en is zeker niet soepel en kneedbaar! Wat u in feite ziet zijn de ophopingen van het uit glucose ontstane vet dat wordt opgeslagen op plekken in het lichaam waar dit het minst kwaad kan. Vaak is ook al veel vet gestapeld in de lever, maar dat kan niet oneindig doorgaan. In het onderhuidse vet- en bindweefsel, vooral op de bovengenoemde locaties, is nog wel ruimte voor opslag. Ook wordt er vet gestapeld in en rondom de spieren.

In het bloed zijn soms al verhoogde insulinewaarden meetbaar, ook bij een normaal suikergehalte. Het beste bewijs voor echte insulineresistentie is als het insulinegehalte verhoogd is nadat het paard 12 uur heeft gevast.


Hoefbevangenheid
Hoefbevangenheid is het meest heftige probleem dat voorkomt bij het insulineresistente paard. Door de grote hoeveelheden suiker in de darm verandert de samenstelling van de darmbacteriën. Meestal is het de Streptococcis Bovis die de overhand krijgt in de darm, deze zorgt voor verandering van de darmwand en het vrijkomen van toxines (gifstoffen). Deze toxines veroorzaken een loslatingsproces van de darmwand op het niveau van de basaalmembraan. Dit is een laag cellen onder de bekledende laag van de meeste holle organen. Bij dit loslatingsproces komen enzymen vrij die een scheiding van de basaalmembraan en de laag erboven veroorzaken. In de darm is dit handig, omdat het opname proces van de toxinen zo gestopt kan worden. Deze enzymen komen echter ook in het bloed. Zo bereiken deze stoffen het hele lichaam waar ze overal waar een basaalmembraan aanwezig is dezelfde reactie kunnen veroorzaken. Ook in de hoeven. Onder de hoornlaag van de hoef zit ook een basaalmembraan en zo laat de hoef daar los van het “leven”.
Dit proces is uitgebreid onderzocht door Doctor C.C. Pollit. Deze beide processen zijn door Pollit ook naast elkaar aangetoond bij hoefbevangen dieren. Wanneer er door het dichtslibben van de vaatwand door de afzetting van vet een verminderde doorbloeding is in de voeten, raakt de voet slecht doorbloed waardoor hoefbevangenheid kan ontstaan. Dit is vergelijkbaar met mindere doorbloeding van voeten van mensen met suikerziekte. Bij een na aan de nageboorte staande, acuut bevangen merrie zal het loslatingsproces vooral op enzymniveau gebeuren, maar bij een in overconditie verkerend dier zal vooral de verminderde doorbloeding voor problemen zorgen. 

Ontsteking (Low Graded Inflammation, LGI)
Vetweefsel is een bron van bepaalde cytokinen. Dit zijn eiwitten die betrokken zijn bij debloeddrukregulatie, het ontstaan van ontstekingen, immuniteit, insulinegevoeligheid, glucosehuishouding, eetlust, energiebalans en hemostase. Deze stoffen worden uitgescheiden door vetcellen. Ze verhogen de insulinegevoeligheid, maar worden bij overgewicht juist minder uitgescheiden. Macrofagen die zich in vetweefsel bevinden scheiden ontstekingsbevorderende cytoninen uit.

Bij overgewicht stijgt het percentage macrofagen, dus ook de hoeveelheid ontstekingsbevorderende cytokinen. Deze cytokinen versterken de insulineresistentie, omdat bij infecties en ontstekingen in het lichaam juist een hogere glucosespiegel in het bloed nodig is, dit is een energieleverancier voor het immuunsysteem. De stopsignalen die nodig zijn om een ontsteking tot een goed einde te brengen (zoals vitamine D of omega-3) zijn te weinig aanwezig, waardoor een paard in een low-grade-inflammatoire staat blijft. Deze low graded inflammation kan leiden tot endotheel- of epitheeldysfunctie, plaquevorming, micro- en macrovasculaire schade, maar ook tot luchtwegontstekingen.


Huidklachten / Staart- en maneneczeem
Zoals hierboven al viel te lezen geeft te veel vetopslag een verhoogde macrofagenactiviteit met ontstekingsbevorderende stoffen (LGI). Eczeem is een verhoogde macrofagenactiviteit in de huid. Ook staart- en maneneczeem is zo’n LGI. De staartaanzet en manen zijn juist die locaties bij het paard met de grootste hoeveelheid vet. Bij LGI is het immuunsysteem verzwakt, waardoor o.a. het Culicoïdesmugje meer kans heeft om schade aan te richten. Hierdoor wordt een ontstekingsreactie in stand gehouden. Vetweefsel is bovendien een opslagplaats van af¬valstoffen en toxinen. Deze geven jeuk (schuren). Er ontstaat meer schade, dus meer ontsteking en een vicieuze cirkel ontstaat.


De behandeling van insulineresistentie

1. Het aanpassen van de voeding
Niet-structurele koolhydraten zoals maïs, tarwe of tarwezemelen, gerst, haver en melasse (voeding met een hoge glycaemische index) moeten worden beperkt. Er dient voldoende ruwvoer (met een laag suikergehalte) te worden gegeven, zoals stro, hooi of ‘mager’ gras.

2. Het reduceren van stress
Voldoende zonlicht en buitenlucht, het leven met soortgenoten en voldoende beweging reduceren de stresssymptomen.

3. Suppletie van (essentiële) nutriënten
Wanneer er sprake is van een magnesiumtekort kan dit worden aangevuld. Ook suppletie met Omega-3 vetzuren en Vitamine A en D reduceert de kans op insulineresistentie en ontstekingen.

4. Phytonics Gluco balancePhytonics Gluco balance
In de strijd tegen insulineresistentie ontwikkelde Phytonics Gluco balance. Gluco balance bevordert een evenwichtige bloedsuikerspiegel. Het zorgt ervoor dat de receptoren gevoeliger worden voor insuline waardoor de glucose-opname verbeterd wordt. Ook werkt het regulerend op de lever, dit orgaan speelt een belangrijke rol in de (glucose)stofwisseling. Bij diabetes mellitus is het immuunsysteem verstoord, wat zich vaak uit in een verhoogde vatbaarheid voor infecties en een abnormale wondgenezing. Ook schade aan bloedvaten is een complicatie bij een verstoorde glucosehuishouding, omdat een te hoog glucosegehalte het aantal reactieve zuurstofverbindingen in het bloed sterk toenemen. Gluco balance bevat dan ook anti-oxidanten en immuunstimulerende bestanddelen.


Gluco balance kan worden ingezet bij hypoglycaemie en insulineresistentie en alle aandoeningen die ten gevolge van insulineresistentie kunnen onstaan, zoals staart- en maneneczeem, hoefbevangenheid, tying-up of luchtwegproblemen.

Gluco balance wordt verkocht via uw dierenarts.

Lees hier verder over insulineresistentie.

Charlotte Willekens is als dierenarts verbonen aan Holistische praktijk voor dieren Den Hoek. Binnen deze praktijk is uitgebreid onderzoek gedaan naar insulineresistentie bij paarden. Bij vragen over uw paard kunt u contact opnemen met Prakijk Den Hoek.